De stille transformatie tot digitale surveillancestaat
Maartje van den Berg | Datum: 1 februari 2026
Illustratie: Leon Baaren aka The Artoonist
Gemeenten werken aan Big Brother-achtig ‘federatief datastelsel’
Grotendeels buiten het zicht van het publiek, ontwikkelt de overheid een digitale infrastructuur waarin alle gegevens van burgers bijeengebracht worden en die de basis gaat vormen voor het overheidsbeleid. Het initiatief staat bekend als het Federatief Datastelsel (FDS), waarbij onder meer datasets van overheden, bedrijven en zorg- en kennisinstellingen worden gekoppeld. Deze digitalisering, die zich voornamelijk afspeelt in technische werkgroepen, heeft een diepgaande en mogelijk onomkeerbare impact op de fundamenten van onze maatschappij en de verhouding tussen burger en staat. Volgens onafhankelijk onderzoeker Maartje van den Berg dreigt de Nederlander te veranderen in een Glazen Burger, een persoon zonder privacy, waar de overheid dwars doorheen kan kijken.
De drijvende kracht achter de digitale transformatie van Nederland is de wens van de Europese Commissie om digitale soevereiniteit te bereiken. Europa wil niet langer afhankelijk zijn van de Verenigde Staten en China. Er moet een ééngemaakte Europese digitale ruimte komen, waarin data veilig en betrouwbaar kan stromen. Voor dit doel is het European Digital Infrastructure Consortium (EDIC) opgericht, dat samenwerking tussen overheden, universiteiten en bedrijven bevordert, gebaseerd op “diversiteit, met open standaarden, open protocollen, open source en digital commons”.
In ons land vertaalt zich dit in beleid dat erop is gericht binnen alle lagen van de overheid volledig datagedreven te gaan werken, waarbij uiteindelijk op allerlei terreinen — gemeentelijke diensten, verkeer, veiligheid, belastingdienst, energiegebruik, zorg, sociale voorzieningen, woningbouw, enzovoort — beslissingen worden genomen met algoritmen. Het technische hart van deze operatie is het Federatief Datastelsel (FDS), dat is ontworpen om data uit allerlei verschillende, van elkaar afgescheiden bronnen, bij elkaar te brengen. Tot voor kort kon data alleen worden samengevoegd door het te kopiëren van de ene bron naar de andere, maar in het nieuwe systeem kan data direct en real-time uit uiteenlopende bronnen worden opgevraagd en samengevoegd. Dit gebeurt via gestandaardiseerde API’s (Application Programming Interfaces). Een API is een set van regels die het mogelijk maakt dat software-toepassingen ‘met elkaar kunnen praten’. Het betekent dat uiteenlopende datasets, bijvoorbeeld afkomstig van buurtteams, patiëntendossiers, politie, verkeerscamera’s, belastingsdienst, energiemaatschappijen, uitkeringsinstanties, enzovoort, aan elkaar kunnen worden gekoppeld. Dit is ook precies wat er gaat gebeuren. Volgens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), die het FDS als een speerpunt beschouwt, is een dergelijke koppeling essentieel voor een betere dienstverlening en om complexe maatschappelijke opgaven, zoals de energietransitie en de woningbouwcrisis, effectief aan te kunnen pakken.
De metadata die wordt gebruikt voor het FDS is onder meer afkomstig van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Denk daarbij aan gegevens over verhuisbewegingen van gezinnen, inclusief data over inkomsten, toeslagen, zorggebruik en samenstelling van de gezinnen. Zelfs schooladviezen en ‘achtergrondkenmerken’ van leerlingen worden door CBS aangeleverd. Het FDS moet dit data-aanbod verder uitbreiden door tien verschillende basisregistraties aan elkaar te gaan koppelen. Het gaat onder meer om de Basis Registratie Personen (BRP), het Kadaster, het Handelsregister, Basis Registratie Adressen en Gebouwen en het Kentekenregister. In de toekomst worden hier nog allerlei andere databronnen — uit de zorg, het sociaal domein en de woningbouw alsmede basisgegevens van alle Nederlandse overheidsinstanties, van ministeries tot gemeentehuizen — aan toegevoegd. In straten zuigen steeds meer camera’s en sensoren data op die ook aan dit systeem worden geleverd. Er wordt zelfs data ónder de straten verzameld: de afgelopen jaren lagen veel wegen en trotoirs open omdat er sensoren op ondergrondse leidingen, buizen en kabels werden bevestigd.
De tot dusver meest tastbare en vergaande toepassing van het data-ecosysteem dat in stilte wordt opgetuigd, is de ‘Spatial Digital Twin’: een virtuele, real-time kopie van de fysieke werkelijkheid. Verschillende gemeenten beschikken inmiddels over zo’n digitale kopie van hun omgeving, die wordt gevoed met een constante stroom van data over verkeersstromen, luchtkwaliteit, temperatuur, geluid, energieverbruik, bodemgesteldheid en zelfs ‘sociale dynamiek’, dat wil zeggen informatie over de sociale samenstelling en veiligheid van straten, buurten en wijken.
Deze ‘digital twins’ worden ontwikkeld binnen het publiek-private samenwerkingsverband Dutch Metropolitan Innovations (DMI), waarin 41 middelgrote gemeenten en diverse Nederlandse en buitenlandse bedrijven participeren. Een voorbeeld is de gemeente Zwolle, die in 2023 een Digital Twin heeft ingezet om de herinrichting van de wijk Assendorp te plannen. De wijk kampte volgens de gemeente met te veel auto’s en te weinig groen. Data uit mobiele telefoons die de locatie van de eigenaar doorgeven (‘floating car data’), verkeerssensoren, en data van mobiliteitsonderzoeken en het CBS werden gecombineerd in een programma (‘De Hub locator’) van het grote Amsterdamse, internationaal opererende adviesbureau Goudappel. Op basis daarvan werd de wijk volledig omgegooid, met nieuwe wegen, kruispunten, ‘hubs’ voor deelauto’s en parkeerplaatsen buiten de wijk.
In Heerlen gaat het nog een stap verder. Deze stad wordt omgetoverd tot de eerste ‘Social Digital Twin’ in Europa, zo valt te lezen op de website van de gemeente: “De Social Digital Twin is een digitaal model van de stad dat data gebruikt om de leefbaarheid en veiligheid in buurten in kaart te brengen en te voorspellen. De gemeente wil hiermee sneller en effectiever inspelen op veiligheids- en leefbaarheidsvraagstukken in wijken.” Voor dit ‘innovatieve project’ heeft Heerlen 5 miljoen euro ontvangen uit het European Urban Initiative programma. Het project is gestart op 1 oktober 2025 en loopt tot en met maart 2029, met partners als het Innovatielab Politie Nederland, de Universiteit Maastricht en de Brightlands Smart Services Campus.
De VNG beschrijft in de trendanalye AI en algortimes (2025) een groeipad voor deze technologie in ‘vijf fasen van volwassenheid’. Waar de meeste gemeentelijke digital twins zich nu nog in de eerste, beschrijvende fase bevinden, groeien ze door naar voorspellen, begrijpen, en uiteindelijk naar een vijfde, autonome fase. In dat stadium zou een simulatie, door gebruik te maken van kunstmatige intelligentie, zelfstandig — zonder menselijke tussenkomst — besluiten kunnen nemen op basis van toekomstige scenario’s.
Hoezeer dit soort technieken mis kunnen gaan, hebben we gezien in de toeslagenaffaire. Dat is nog niets vergeleken bij wat er op ons afkomt. Stel je voor dat er op basis van metadata en algoritmes wordt besloten dat er extra handhaving in een wijk moet komen. In de praktijk betekent dit dat er meer politie en meer (camera)toezicht komt. Dit levert nog meer data over misstanden op die aan ‘het systeem’ worden gevoed, waardoor er nog meer toezicht en handhaving komt, enzovoorts. Een negatieve feedback loop waarbij een probleemwijk in steeds diepere ellende komt. De verleiding voor de autoriteiten om ‘pre-crime’ maatregelen te nemen zal alleen maar sterker worden. Ze kunnen mensen gaan oppakken op basis van data om te voorkomen dat er problemen ontstaan. Daarmee komt ons rechtstelsel op de helling te staan.
Hier komt bij dat de EU ook werkt aan de invoering van een digitale identiteit. Nog dit jaar zal de Nederlandse overheid de burgers een ‘eID-wallet’ aanbieden, waarin alle mogelijke gegevens van burgers kunnen worden opgeslagen. In combinatie met het FDS dreigen we in een dystopisch surveillance-systeem terecht te komen. Wij worden ‘Glazen Burgers’. Deze term komt uit het debat over privacy en digitalisering en verwijst naar het beeld van een burger die voor overheid en bedrijven volledig “doorzichtig” is omdat al zijn digitale gegevens over zijn doen bekend zijn, en aan elkaar zijn gekoppeld. Zodra we allemaal zijn voorzien van een eID-wallet met officiële identiteitsgegevens, documenten en meer, een app waarmee we ons off- en online moeten identificeren bij overheidsdiensten en commerciële diensten, heeft het net van het FDS zich definitief gesloten.
We staan op een belangrijk en mogelijk beslissend kruispunt in onze digitale evolutie. De ontwikkeling van het Federatief Datastelsel en de bijbehorende technologieën biedt onmiskenbaar kansen voor een efficiëntere, datagestuurde en duurzamere samenleving. Tegelijkertijd brengt de huidige koers, die wordt gekenmerkt door een focus op technologische oplossingen en een gebrek aan publiek debat, serieuze risico’s met zich mee voor onze privacy, autonomie en de democratische controle op de overheid. Er wordt een technocratische surveillance-architectuur opgetuigd waarin de burger steeds transparanter wordt voor de overheid en de markt, terwijl de besluitvorming achter die systemen steeds ondoorzichtiger wordt.
De vraag daarbij is niet óf we technologie moeten inzetten, maar hóé we dat doen en wie daarover beslist. Gaan we verder op een pad waar data en geautomatiseerde systemen een steeds centralere rol krijgen in de besturing van onze samenleving? Of kiezen we voor een model waarin technologie dient als een hulpmiddel, maar de menselijke maat, ethische principes en democratische waarden leidend blijven? Dit is geen technisch vraagstuk dat kan worden overgelaten aan experts en beleidsmakers. Het is een fundamentele maatschappelijke keuze over de toekomst die we willen bouwen. Het is essentieel dat we hierover een breed, open en eerlijk gesprek voeren. Alleen dan kunnen we bewust de toekomst vormgeven waarin technologie ons dient, in plaats van ons beheerst.
Transparantie en Democratische Controle
Cruciale beslissingen over de architectuur van onze digitale infrastructuur, met een enorme maatschappelijke impact, worden genomen in technische werkgroepen en via complexe, langlopende inkoopprocedures (zoals het Gemeentelijke Gemeenschappelijke Infrastructuur-contract met Microsoft). Deze processen voltrekken zich grotendeels buiten het directe zicht en de controle van de Gemeenteraad en de Tweede Kamer. De complexiteit van de materie en de aanhoudende roep om ‘versnelling’ maken een gedegen democratische weging en controle nagenoeg onmogelijk.
Recente Europese voorstellen, zoals de ‘Digital Omnibus’ die voortbouwt op het Draghi-rapport (2024) waarin wordt gepleit voor veel meer gezamenlijk Europees beleid, lijken de strenge regels van de privacywet (AVG) te willen versoepelen om breder gebruik van persoonsgegevens voor het trainen van AI-modellen mogelijk te maken. Privacy-organisaties zoals Noyb waarschuwen dat dit kan gebeuren via een versnelde procedure, zonder diepgaande toetsing en met slechts een theoretische ‘opt-out’ mogelijkheid die in de praktijk voor burgers nauwelijks werkbaar is.
De Zwarte Doos van Algoritmes
De effectiviteit en eerlijkheid van een datagedreven overheid hangt af van de betrouwbaarheid van de gebruikte algoritmes. De Algemene Rekenkamer concludeerde echter in een focusonderzoek in 2024 dat de Rijksoverheid van een groot deel van haar eigen AI-systemen niet weet of ze naar behoren werken. Voor meer dan de helft van de 433 geïdentificeerde AI-systemen zijn de kansen niet afgewogen tegen de risico’s. Er is bovendien een prikkel om risico’s laag in te schatten — slechts dertien systemen werden als ‘hoog risico’ aangemerkt. Het feit dat het kabinet het nog niet opportuun vindt om het wettelijk te verplichten, versterkt de zorgen over een gebrek aan transparantie en accountability.
Infrastructuur en Gezondheid
De real-time dataoverdracht die nodig is voor ‘smart cities’ en Digital Twins vereist een fijnmazige infrastructuur van 5G en in de toekomst 6G. De uitrol hiervan vindt plaats terwijl er, volgens kritische wetenschappelijke rapporten, nog onvoldoende onafhankelijk onderzoek is gedaan naar de langetermijneffecten op de volksgezondheid, met name bij de hogere mmWave-frequenties. Het voorzorgsprincipe, dat zou moeten gelden bij wetenschappelijke onzekerheid over potentieel ernstige risico’s, lijkt hier stelselmatig te worden genegeerd.
- Vragen die bewoners en raadsleden kunnen stellen aan hun gemeente als deze een Digital Twin in ontwikkeling heeft:
- Welke persoonsgegevens van bewoners worden verwerkt in de Digital twin?
- Welk algoritme wordt gebruikt bij de Digital twin?
- En is hiervoor een DPIA (onderzoek naar de privacyrisico’s van verwerking van persoonsgegevens) opgesteld?
- Op welke juridische basis (AVG-artikelen, wetgeving) verzamelt en verwerkt de gemeente persoonsgegevens van bewoners binnen het Digital Twin-project?
- Welke technische en organisatorische maatregelen zijn getroffen om de gegevens van bewoners te beschermen tegen ongeautoriseerde toegang of datalekken?
- Wie binnen de gemeente en bij partners heeft toegang tot de data, en hoe wordt dit gecontroleerd en verantwoord?
- Hoe worden bewoners geïnformeerd over welke gegevens van hen worden verzameld, hoe deze worden gebruikt en hoe lang deze worden bewaard?
- Welke mogelijkheden hebben bewoners om hun gegevens in te zien, te corrigeren of te laten verwijderen?
- Hoe wordt gemeten of het Digital Twin-project daadwerkelijk bijdraagt aan de leefbaarheid, veiligheid en efficiëntie, zonder dat dit leidt tot ongewenste beïnvloeding van bewonersgedrag?
- Wordt het project periodiek geëvalueerd door een onafhankelijke partij?
- Hoe wordt de gemeenteraad geïnformeerd over de voortgang, resultaten en eventuele risico’s binnen het kader van Smart City-innovatie, met bijzondere aandacht voor vrijheidsbeperkingen en privacy?