“Het is tijd om nieuwe grenzen aan te brengen in de arts/patiënt-relatie”
Toine de Graaf | Datum: 8 januari 2026
Felix van der Wissel | mkfotografie
Huisarts Felix van der Wissel : “Slik je medicijnen voor een chronische aandoening, vraag je dan ieder jaar weer af: heb ik ze echt nodig?”
Huisarts Felix van der Wissel sprak zich in de coronajaren kritisch uit over de vaccins en de overheidsmaatregelen. Maar al jaren daarvoor viel hij op door zijn eigenzinnige ideeën over zijn eigen beroepsgroep: die is volgens hem te veel bezig met symptoombestrijding en het blindelings volgen van behandelprotocollen. Hij spoort patiënten aan hun gezondheid weer in eigen hand te nemen. “Het begint met herkennen van de vaak hiërarchische verhouding tussen arts en patiënt en het terugnemen van je autonomie.”
Jarenlang lag Felix van der Wissel op koers om orthopedisch chirurg te worden, maar hij koos uiteindelijk voor de huisartsgeneeskunde. Daarin werd hij nooit doorsnee. Zo introduceerde hij de ‘anderhalvelijnszorg’ door ziekenhuiszorg, zoals eenvoudige chirurgie, in zijn huisartspraktijk uit te voeren, waarmee hij aanzienlijke zorgkosten bespaarde. Daarnaast wil hij graag de oorzaak van ziekten aanpakken. “Ik ben nu 24 jaar huisarts en realiseer me steeds meer dat huisartsgeneeskunde zich vooral bezighoudt met symptoombestrijding”, vertelt hij. “Terwijl de onderliggende oorzaak van heel veel ziektes vaak ligt in trauma, in dingen die vroeger gebeurd zijn. Ik noem dat ‘de kras op de plaat’. Medisch gezien is dit ook goed te verklaren vanuit ons autonome zenuwstelsel.”
Van der Wissel pleit voor een systeem waarbij er ruimte is voor een bredere kijk op zorg.
“Een geneeskunde die veel meer holistisch is en bij iedere persoon kijkt hoe deze echt geholpen kan worden, door de oorzaak van zijn klachten aan te pakken — naast de symptoombestrijding die bij chronische klachten onontbeerlijk is, zoals bij heftige pijn.” Hij is intussen mede-eigenaar van een retraitecentrum in Zuid-Spanje, genaamd Tribu del Alma, dat aansluit bij deze ambitie. “Tegenwoordig is evidence-based medicine, ofwel op wetenschappelijk gebaseerde geneeskunde, de gouden standaard. Maar dat is een heel cognitieve benadering van gezondheid en iets anders dan: wat is goed voor jóu.” De bewijzen voor de werkzaamheid van geneesmiddelen en behandelmethoden in evidence-based medicine komen doorgaans van studies met grote groepen proefpersonen waarbij met gemiddelde effecten op groepsniveau wordt gerekend. “Maar”, zegt Van der Wissel, “iedereen heeft een andere achtergrond, andere trauma’s, andere kernovertuigingen en is blootgesteld aan andere toxische stoffen. Al die dingen zorgen ervoor dat je systeem anders functioneert en daarom heb je een individuele benadering nodig.”
Onze westerse geneeskunde gaat nu uit van een soort eenheidsworst, waarbij iedereen over dezelfde kam wordt geschoren aan de hand van “wetenschappelijk” onderbouwde behandelprotocollen. “Het wordt tijd dat we de manier waarop nu wetenschap wordt ingezet, gaan begrenzen. Want in hoeverre is die betrouwbaar? Welke rol speelt de farmaceutische industrie? Hoe zit het met de integriteit van de tijdschriften waarin de wetenschappelijke studies verschijnen?”
Hij spoort mensen aan hun autonomie terug te nemen. “Binnen de westerse geneeskunde zeggen artsen tegen patiënten: ‘Geef je probleem maar aan mij, ik ben de deskundige en ga het voor je oplossen’. Die rol hebben we zo geleerd, ondanks steeds meer aandacht voor het arts/patiënt-gesprek. Toch blijft er, ondanks de verbeterde gesprekstechnieken, een hiërarchische verhouding waarbij de patiënt opkijkt naar de dokter. Maar overal waar je autonomie weggeeft, geef je iets van jezelf weg. Je gaat over je eigen grenzen om iets te verkrijgen. Ik denk dat het tijd is dat we nieuwe grenzen mogen aanbrengen in de arts/patiënt-relatie. Daar waar dokters over deze grenzen gaan, mogen we deze dokters begrenzen. De verhouding tussen arts en patiënt is toe aan herdefiniëring: de dokter dient veel meer naast de patiënt te gaan staan, als een soort coach. De patiënt heeft daarin ook een rol en mag assertiever worden.”
Dit houdt onder meer in dat je “nee” kunt zeggen tegen een behandelvoorstel. “In de arts/patiënt-relatie gaat het om wederzijds respect. Daarbinnen vind ik als professional dat patiënten alles mogen zeggen en dat overal over gesproken kan worden. Ik ben er om naast de patiënt te staan, niet boven de patiënt. Wanneer je als dokter persoonlijk niet in staat bent de kritiek van een patiënt serieus te nemen en te weerstaan, ligt dat echt bij jou, de arts. Dat uit zich dan bijvoorbeeld in hautain gedrag. Maar wanneer je je op je pik getrapt voelt, omdat jouw behandelvoorstel wordt afgewezen, is dat een spiegel. Als een patiënt jou kan raken in je ego, getuigt dat van een onprofessionele opstelling en moet je gaan kijken of je zelf niet een kras op de plaat hebt, waaraan je mag gaan werken.”
Van der Wissel kent het fenomeen waarbij patiënten door hun omgeving onder druk worden gezet. “Mensen zeggen vaak: ‘Doe nou maar wat de dokter zegt’. Dat geeft druk. Koester dan je innerlijke kompas. Bij je gevoel blijven, is de sleutel. Als jij je uitspreekt over je gevoel, kan niemand daar aankomen. Als jij zegt ‘ik voel dat ik dit niet moet doen’, dan is dat zo. Het woord ‘voelen’ is heel krachtig. We zijn wat vervreemd geraakt van ons innerlijke kompas, terwijl we daar het beste op varen. We zijn zo cognitief geworden, alles is tegenwoordig ‘hoofd’. We beredeneren alles weg, waardoor het gevoel er niet meer toe doet. Maar als jij gewoon uitspreekt ‘Ik voel dat dit niet goed voor mij is’, kun je daarmee anderen begrenzen. Overigens maken wij als huisartsen zelf ook veel gebruik van ons ‘niet pluis-gevoel’, dus we doen het zelf ook.”
Iatrogene schade, ofwel schade veroorzaakt door medisch handelen, is volgens onderzoek doodsoorzaak nummer 3 en vraagt om bescheidenheid. “Het past ons als artsen, terughoudend te zijn in commentaar op anderen te leveren zolang wij niet in staat zijn schade te voorkomen. Die schade ontstaat door medische fouten, door medicatie en vaak ook door arrogantie. Dit maakt dat je als patiënt alle recht hebt adviezen te heroverwegen en kritische vragen te stellen.”
Bijvoorbeeld over langdurig medicijngebruik. “Slik je medicijnen voor een chronische aandoening? Vraag je dan ieder jaar weer af: heb ik ze echt nodig. En het liefst ieder halfjaar. Veel medicijnen worden gegeven vanuit protocollen, maar de vraag is of ze allemaal noodzakelijk zijn. De Britse cardioloog Aseem Malhotra wees vorig jaar tijdens een congres op een goed wetenschappelijk onderzoek, dat aangeeft dat als je cholesterolverlagers slikt voor primaire preventie, je daarmee gemiddeld vier dagen langer leeft. Maar 50 procent van de patiënten krijgt wel de bijwerkingen ervan. Wat is dan de meerwaarde van die medicatie? Die vraag mag je altijd stellen aan je dokter. Protocollen zijn er aan de ene kant voor de veiligheid. Maar ze kunnen menselijkheid niet vervangen. Het protocol mag aan de achterkant een ruggensteun zijn, zodat je niets vergeet als arts, zoals met een checklist. Wat ik nu merk in de geneeskunde, is dat protocollen belangrijker zijn dan menselijkheid. Als het protocol leidend wordt en de arts niet meer nadenkt over wat voor de individuele patiënt belangrijker is, vergroot dat de kans op iatrogene schade.”
Neem je tijd bij twijfel. “Laat je niet pushen. Stel vragen en laat een behandelvoorstel op je inwerken, zodat je echt kunt voelen: wil ik dit? Dat is echt nodig. Voelen is het allerbelangrijkste. Daarnaast kennen we natuurlijk de second opinion, waarbij je een andere dokter om zijn mening vraagt. Dat is helemaal niet zo gek om te doen, zeker als het gaat om ingrijpende operaties. Dat is ook een manier van begrenzen, want daarmee pak je de regie en kun je beter voelen welke behandeling het beste voor jou is.”
