Hoe bepaald wordt wat wij waar moeten vinden
Van onze redacteur | Datum: 19 januari 2026
Data-analist Cees van den Bos onthult hoe kenniscentra, ministeries en inlichtingendiensten beleid naar hun hand zetten
Zo’n tweehonderd universiteiten en denktanks zijn wereldwijd betrokken om ondemocratisch tot stand gekomen veiligheidsbeleid — vaak bedacht door de inlichtingendiensten zelf — wetenschappelijk en wettelijk af te dekken, stelt Woo-onderzoeker Cees van den Bos. Zij werken volgens de filosofie van de ‘Epistemische gemeenschap’, een systematische benadering van wat samenlevingen als waar moeten beschouwen, maar lang niet altijd waar is. Volgens de data-analist zet deze dogmatische aanpak critici buitenspel en leidt het tot tunnelvisie. “Rapporten worden op academische wijze gepresenteerd, terwijl de uitgangspunten vaak rechtstreeks afkomstig zijn van de ministeries en de diensten zelf.”
Door het uitpluizen van ladingen Woo-documenten (Wet open overheid), krijgt data-onderzoeker Cees van den Bos steeds meer inzicht in hoe beleid onder de radar gevormd wordt. Onlangs onthulde hij dat inlichtingendienst Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) in coronatijd de macht heeft gegrepen in ons land (zie link onderaan). Eind vorige maand bracht hij op zijn Substack ‘Bomen & Bos’ in kaart hoe er wereldwijd een op het oog wetenschappelijk verantwoorde consensus is gecreëerd om globaal beleid over grote vraagstukken — zoals veiligheid, pandemieën, economie en het klimaat — wetenschappelijk en uiteindelijk zelfs wettelijk te legitimeren.
Maar schijn bedriegt, stelt hij. Aan de basis van dit ogenschijnlijk wetenschappelijk gedekte beleid, staat de benadering die ‘Epistemische gemeenschap’ of het ‘Epistemisch complex’ wordt genoemd. In dit systeem wordt door een selecte groep beleidsmakers en politici in een vroege fase bepaald wat een samenleving als ‘waar’, ‘kennis’ of ‘redelijk’ moet beschouwen. Zo omzeilen zij de praktijken van de traditionele wetenschap, zoals verschil van mening en interpretaties over de aanpak van een probleem.
De term Epistemische gemeenschap, bedacht door socioloog Burkart Holzner, werd bekend door de paper Epistemic Communities and International Policy Coordination uit 1992 van Peter M. Haas. Deze Amerikaanse hoogleraar beschrijft daarin hoe afzonderlijke landen tot ‘internationale beleidscoördinatie’ kunnen komen door de wetenschappelijke onzekerheid te beperken, vooral als het om complexe vraagstukken gaat. Van den Bos: “Landen werken in een Epistemische gemeenschap met een collectieve beleidsmissie. Daarbij zijn ze zelf de bron van informatie en (her)definiëren zelf de aard van de problemen. Met andere woorden: er wordt in een select gezelschap bepaald wat wel en niet een probleem is, wat wel en niet wenselijk is, hoe de wereld werkt en welk bewijs wel en niet geldig is. Een Epistemische gemeenschap produceert dus naast kennis ook een specifieke manier van kijken naar problemen én ze zijn het eens over welke oplossingen ‘wetenschappelijk’ zijn. De Epistemische gemeenschap stuurt zo de internationale beleidsvoering door problemen en oplossingen te framen.”
Hoewel Haas in zijn paper over ‘global governance’ spreekt, is hij niet voor een centrale regering die de wereld bestuurt, stelt Van den Bos. De data-analist vermoedt dat de hoogleraar goede intenties had met zijn model, maar niet voldoende heeft overzien dat we nu vooral met de keerzijde van het beleid te maken hebben: een dogmatische benadering van wat waar is. Consensus betekent immers niet automatisch dat het ook waar is. “Wanneer er consensus is bereikt binnen de Epistemische gemeenschap, verwordt kennis/wetenschap tot een dogmatisch machtsblok dat niet bevraagd of betwist mag worden. Dit zien we terug in het klimaat-, inclusiviteits-, veiligheids- en covidbeleid, waar we vastzitten in een consensuspolitiek. De kennisgemeenschappen die hierin hebben bepaald wat waar is, besturen nu feitelijk de wereld. Niet omdat ze die formele macht democratisch hebben verkregen, maar doordat zij de macht hebben gekregen om te bepalen wat als ‘waar’ of ‘wetenschappelijk juist’ beschouwd moet worden en wat de realiteit is waarbinnen beleid wordt gemaakt. Kennis en informatie zijn dus machtsbronnen geworden. Wie de interpretatie van een probleem controleert, beïnvloedt het beleid”, stelt Van den Bos.
De media spelen hierbij een belangrijke rol. In plaats van de consensus ter discussie te stellen, “presenteren zij de mening van experts vaak als ‘de wetenschap’. Zo legitimeren zij de Epistemische macht. Dat is de reden dat je vaak dezelfde mensen over dezelfde onderwerpen ziet terugkeren aan tafel. Experts met een kritische zienswijze op de problematiek krijgen geen podium”, aldus Van den Bos.
De filosofische benadering uit zich op vele terreinen. Hoogleraar Haas is momenteel betrokken bij het Epistemisch complex van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), dat zich richt op klimaatproblematiek. “Dat menselijke uitstoot van CO2 leidt tot opwarming van de aarde is ook zo’n Epistemische aanname”, stelt Van den Bos. “Ondertussen wordt ons dagelijks leven sterk beïnvloed door het werk van het IPCC — dat er eveneens voor heeft gezorgd dat alternatieve wetenschappelijke inzichten over dit onderwerp onbespreekbaar zijn.”
In Nederland wijst Van den Bos op de zogeheten Veiligheidsinlichtingen-Kennisdriehoek als belangrijk Epistemisch complex aan. “Deze driehoek wordt in Nederland gevormd door de NCTV, de overheid en het International Centre for Counter-Terrorism (ICCT) — een academische tak die in 2010 werd opgericht door denktanks Clingendael en het Asser Instituut en de afdeling ISGA, Institute of Security and Global Affairs, van de Universiteit van Leiden. Deze academische tak vervult een sleutelrol in het implementeren van het veiligheidsbeleid.”
Dit Veiligheidsepistemisch complex bepaalt in ons land bijvoorbeeld het beleid als het gaat om begrippen als ‘radicalisering’, ‘online extremisme’ en ‘nationale veerkracht’. Het verklaart de vele rapporten over de toegenomen dreiging op het terrein van terrorisme of soevereiniteitsbewegingen. “Deze rapporten worden op academische wijze gepresenteerd, terwijl de uitgangspunten vaak rechtstreeks afkomstig zijn van de ministeries en de diensten zelf. De wetenschappelijke instituten en denktanks zijn nauw verbonden aan de inlichtingendiensten. Bovendien is het wetenschappelijk gehalte van deze rapporten veelal discutabel vanwege ontbrekende bronnen en bewijzen. In feite wordt de wetenschap gebruikt voor politieke dekking.”
Van den Bos haalt als voorbeeld van deze verwevenheid “de recente kruistocht” binnen de EU en Navo tegen haatspraak aan. Op de site van het ICCT staat het volgende: “(…) op verzoek van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) opdracht tot een studie — uitgevoerd door ICCT — naar de haalbaarheid van het opstellen van een duidingskader dat een betrouwbare detectie en moderatie van extremistische en terroristische, online content mogelijk maakt…”
Binnen het ICCT speelt de Universiteit van Leiden een centrale rol, “waarvan de faculteit ISGA, Institute of Security and Global Affairs, zich op twee minuten loopafstand van het NCTV-hoofdkantoor bevindt. Deze wetenschap bestond niet, totdat men op zoek ging naar meer bevoegdheden. Dus creëerde men een nieuwe faculteit en strooide men rijkelijk met PhD’s. Met andere woorden: er is een academisch ogende garnering toegevoegd aan sturende beleidsontwikkeling. Zo kunnen de onderzoeken die de ICCT doet, vaak op verzoek van de inlichtingendienst of een ministerie zelf, in de politieke arena worden gebracht, waarop voorstellen tot wets- of beleidswijzigingen volgen. Beleidsmakers kunnen voortaan gewenste oplossingen voor problemen zoals terreurdreiging of klimaatverandering laten framen”, aldus de data-onderzoeker.
Deze aanpak “leidt nooit tot minder, maar altijd tot meer bevoegdheden van het inlichtingenapparaat. En daarmee de uitvoerende macht. De oppositie staat machteloos, want het machtsblok weet zich immers gedekt door kennisinstituten”, zegt Van den Bos, die stelt dat deze rapporten of nota’s ook worden gebruikt om begrippen “met een sinistere lading” zoals ‘dreiging’ of’ ‘extremisme’ “mainstream te maken door in publicaties onderling naar elkaar te verwijzen. Het verwijzen naar elkaars werk gebeurt overigens oneindig. Zo worden de narratieven opgebouwd.”
Het is niet alleen een onzuivere manier van beleid maken, volgens Van den Bos leidt de aanpak ook tot “meerdere conflicterende belangen”, omdat “het ICCT door de overheid wordt gefinancierd en de inlichtingendiensten gebaat zijn bij meer bevoegdheden. In 2024 was het budget van het ICCT ongeveer 2 miljoen euro, waarvan een half miljoen afkomstig van de EU, en 1 miljoen van de ministeries van Justitie en Veiligheid en Buitenlandse Zaken. Tot voor kort kreeg het ook financiële steun van het omstreden USAID.” Hij spreekt van een “draaideurconstructie” tussen de verschillende afdelingen van de inlichtingendiensten en de academische tak. “Het ICCT en ISGA worden gepresenteerd als onafhankelijke onderzoeksinstituten, terwijl hun ontstaan, financiering en netwerk in werkelijkheid diep verweven zijn met de Nederlandse veiligheidsstaat, met name de NCTV, AIVD en MIVD. De denktanks worden voornamelijk bemand door personen die ook aan andere organisaties verbonden zijn.”
Van den Bos haalt enkele evaluatierapporten aan uit 2022 van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) over de aanpak van de coronacrisis. “Deze bleken mede opgesteld te zijn door drie personen van de ISGA. Mensen die zelf mee aan de knoppen zaten rond het coronabeleid, deden ook de evaluaties — dat roept vragen op over de onafhankelijkheid.” En dit gebeurt wereldwijd, aldus Van den Bos. “Internationaal staan ongeveer tweehonderd universiteiten en denktanks met elkaar in contact, waarbij elk land zijn eigen academische dependance heeft. Samen vormen zij het web van het zogeheten Veiligheidsepistemisch complex dat de inlichtingendiensten hun wetenschappelijke en daarmee politieke dekking biedt voor het implementeren van het veiligheidsbeleid”, besluit hij.
De theorie van Epistemische gemeenschappen houdt een nauw verband met de theorie van de Amerikaanse ingenieur Joseph Paul Overton: The Overton Window. “Alles buiten The Overton Window wordt als onbespreekbaar, extreem, radicaal of complottheorie beschouwd”, schrijft Van den Bos op zijn Substack Bomen & Bos. “Discussies die binnen het venster plaatsvinden, zijn redelijk, wetenschappelijk en beschaafd. Polarisatie vormt hierin een belangrijke factor om eventuele tegenspraak op de Epistemische consensus te bestrijden. Daarom hoorde je tijdens corona ‘trust the science’ en ‘trust the experts’ en werden mensen met een andere mening gediskwalificeerd.”
Op de door Haas geprezen rol van denktanks — de academische tak — is Overton kritischer, zegt Van den Bos. “Volgens hem verschuiven zo de narratieven richting de beleidsdoelen van hun financiers. Zo kan klimaat- of immigratiebeleid, farmaceutische regelgeving of digitale censuur geleidelijk van controversieel naar sociaal onvermijdelijk worden verschoven doordat denktanks die beleidsvoorstellen onderbouwen. Zo kun je redeneren dat denktanks een belangrijke rol in Strategische Communicatie en psychologische operaties hebben.”
Als voorbeeld van een ICCT-rapport dat tot beleid leidde, noemt Cees van den Bos de paper ‘Countering Violent Extremism (CVE): A promising response to Terrorism’ uit 2012. “Deze – en een opvolger uit 2015 – die ‘multi‑agency prevention’ en de preventieve signalering van extremisme bespreken, werd door het ministerie van Justitie en Veiligheid/NCTV gebruikt als theoretisch fundament voor het programma ‘Preventie van radicalisering en extremisme’ (opgestart in 2015) en leidde tot een VN-resolutie”, schijft hij op zijn Substack.
Over het kabinet‑document ‘Integrale Aanpak Jihadisme’ uit 2014 zegt hij dat het “voor de helft terminologie bevat die letterlijk uit dit ICCT‑kader komt”, zoals ‘early detection’, ‘multi‑agency cooperation’ en ‘community resilience’. Dit document diende als “sjabloon in Brussel”. “Kort daarop implementeerde Nederland Resolutie 2178 in nationaal beleid, met een focus op preventie, monitoring en strafrechtelijke vervolging. Dit leidde tot aanpassingen in contraterrorismebeleid, wetswijzigingen en mandaatuitbreidingen voor de veiligheidsdiensten. Dat Bert Koenders, toenmalig minister van BuZa, namens de Nederlandse regering verschillende terroristengroeperingen steunde en dat er een immigratiestroom van jonge mannen naar West-Europa aan de gang was, werd niet primair genoemd als mogelijke oorzaak voor het toenemend jihadisme.”
