Studie linkt zuigelingensterfte aan vaccinatie
Toine de Graaf | Datum: 14 januari 2026
Illustratie: Leon Baaren aka The Artoonist
“De vraag is niet of, maar hoeveel kinderen er sterven door gelijktijdige vaccinaties”
Wereldwijd ontkennen gezondheidsautoriteiten al decennialang elk verband tussen vaccinatie en zuigelingensterfte, waaronder ‘wiegendood’. Een nieuwe Amerikaanse preprint-studie zet de discussie op scherp: een analyse van gegevens van het Gezondheidsministerie in de staat Louisiana geeft aan dat baby’s die in hun tweede levensmaand gevaccineerd werden, een grotere kans hadden in hun derde maand te overlijden dan ongevaccineerde zuigelingen. De wetenschappers van Children’s Health Defense die de analyse uitvoerden, dringen aan op transparantie en roepen gezondheidsautoriteiten op, vergelijkbare datasets beschikbaar te stellen voor onafhankelijke analyses.
Het Gezondheidsministerie van Louisiana stelde aan de onderzoekers Brian Hooker en Karl Jablonowski van Children’s Health Defense (CHD), de vaccinkritische organisatie die werd opgericht door de huidige Amerikaanse gezondheidsminister Robert Kennedy, een dataset beschikbaar van 5800 kinderen die tussen 2013 en 2024 vóór hun 3e verjaardag stierven. Van deze kinderen konden er 1775 worden gekoppeld aan hun vaccinatiegegevens.
De analyse van Hooker en Jablonowski richtte zich vervolgens op een subgroep van 1225 kinderen die de eerste 90 dagen van hun leven overleefden. Zij vonden daar bij dat baby’s die in hun tweede levensmaand (60-90 dagen oud) gevaccineerd werden, een grotere kans hadden in hun derde maand (90-120 dagen oud) te overlijden dan ongevaccineerde zuigelingen. De verhoogde kans op overlijden varieerde van 29 tot 74 procent, afhankelijk van het specifieke vaccin dat werd geanalyseerd. De grootste individuele associatie werd gerapporteerd voor het rotavirusvaccin: een 74 procent hogere sterftekans, wat volgens de auteurs statistisch significant was. Bij alle vergelijkingen binnen de dataset hadden ongevaccineerde kinderen de laagste sterftecijfers in de leeftijdsfase van 90-120 dagen.
Daarnaast werden kinderen die alle vijf in de VS aanbevolen eerste vaccinaties voor baby’s van 2 maanden kregen — difterie-kinkhoest-tetanus, polio, rotavirus, haemophilus influenzae type b (hib) en pneumokokken — vergeleken met zuigelingen die geen van deze vaccinaties in hun tweede levensmaand kregen. Baby’s die alle vijf vaccins kregen, hadden 60 procent meer kans in hun derde maand te overlijden dan ongevaccineerde. Dit liep op naar 68 procent als ze na hun geboorte ook nog waren gevaccineerd tegen hepatitis B. Meisjes hadden dan zelfs een verhoogde kans op overlijden van 112 procent in hun derde maand. De auteurs suggereren, met een verwijzing naar eerder onderzoek, dat dit kan samenhangen met een sterkere immuunrespons bij vrouwen na vaccinatie, die zich vervolgens uit in een hoger percentage bijwerkingen.
“Naar epidemiologische maatstaven is het een erg kleine dataset, maar het behoort wel tot de grootste en meest gedetailleerde in zijn soort”, vertelde Jablonowski naar aanleiding van de studie aan The Defender, het nieuwsmedium van CHD. “Ik had geen verwachtingen over wat we zouden vinden, omdat er geen vergelijkingsmateriaal is. Een studie van deze omvang, met dit detailniveau, gericht op de tweede levensmaand, is voor zo ver ik weet nog nooit eerder uitgevoerd.”
Jablonowski en Hooker roepen gezondheidsautoriteiten en onderzoekers op, vergelijkbare gekoppelde datasets beschikbaar te stellen voor onafhankelijke analyses, met het argument dat transparantie essentieel is voor het evalueren van de veiligheid van vaccins op populatieniveau. “Eén onderzoek leidt niet tot consensus”, aldus Jablonowski. “Het moet vele malen herhaald worden, in elke staat, provincie of land dat bereid is te kijken. Ik ben enorm dankbaar dat CHD heeft kunnen samenwerken met zulke moedige mensen in de staat Louisiana.” Beide onderzoekers stellen dat alleen bredere toegang tot vergelijkbare datasets — en onafhankelijke herhaling van de analyse — kan bepalen of de patronen die in Louisiana zijn waargenomen een lokale afwijking of een meer algemeen fenomeen weerspiegelen. “Elke staat, provincie en elk land waar een vaccinatieregister gekoppeld kan worden aan een overlijdensregister, kan dat bewijs leveren.”
Eind december publiceerden Hooker en Jablonowski hun analyse, die nog niet is onderworpen aan een collegiale toetsing ofwel ‘peerreview’, op Preprints.org. Kort daarna voorzag de Amerikaanse internist Clayton J. Baker deze op de website van het Brownstone Institute van extra context. “Er is steeds meer wetenschappelijk bewijs dat het gelijktijdig toedienen van meerdere vaccins de toxiciteit van vaccins verhoogt en tot de dood van kinderen leidt”, schreef hij onomwonden. Baker verwijst naar een peerreviewed studie die in 2011 verscheen in het wetenschappelijke tijdschrift Human & Experimental Toxicology. Daarin vergeleken de Amerikaanse onderzoekers Neil Miller en Gary Goldman de kindersterftecijfers in dertig ontwikkelde landen met het aantal vaccins dat routinematig werd toegediend vóór de leeftijd van 1 jaar in elk land. Ze vonden een “zeer significant statistisch verband tussen een toenemend aantal vaccindoses en een toenemende kindersterfte”. Met andere woorden: hoe meer prikken in een land, hoe hoger de sterfte.
Baker haalt daarnaast nog een ander ongemakkelijk feit aan. De VS kent een vergoedingsprogramma voor vaccinatieschade: het National Vaccine Injury Compensation Program (VICP) van het Gezondheidsministerie. Het is echter voor getroffen ouders niet eenvoudig een financiële vergoeding te krijgen, maar volgens Baker zijn toch zo’n vijftig gevallen van kindersterfte gecompenseerd door het VICP. Hij noemt dit “overweldigend bewijs” dat kinderen overlijden door prikken. “De vraag is niet of kinderen sterven door meerdere gelijktijdige vaccinaties, maar hoeveel kinderen er sterven”, aldus Baker. Hij behoort tot de artsen die nooit twijfelden aan de veiligheid van de traditionele vaccins, maar wakker zijn geschud door de gezondheidsschade van de mRNA-coronaprikken. Waarna zij ook de ‘gewone’ vaccins eens onderwierpen aan een nadere beschouwing.
De beroemdste voorbeelden in de VS zijn cardioloog Peter McCullough en intensivist Pierre Kory, die zich gaandeweg hebben ontpopt tot doorgewinterde critici van het Amerikaanse vaccinatieprogramma, dat bekendstaat als het meest uitgebreide ter wereld. McCullough deelde de preprint-studie van Hooker en Jablonowski dan ook onmiddellijk op X, waarmee hij binnen een week 350.000 views genereerde.
Wereldwijd kruipen steeds meer artsen uit hun schulp, ook in Japan. Vorig jaar maart slaagde Kenji Yamamoto, cardiothoracaal chirurg in het Okamura Memorial Hospitaal op zo’n 120 km van Tokio, erin een onthullend ‘commentaar’ geplaatst te krijgen in het wetenschappelijke tijdschrift Discover Medicine. Daarin verwees hij naar drie Japanse kinderen die kwamen te overlijden kort na vaccinatie tegen uiteenlopende ziekten.
Het ging onder meer om een zuigeling van 6 maanden die in november 2023 — terwijl ze verkoudheidssymptomen had — werd geprikt tegen hepatitis B, hib, pneumokokken, kinkhoest, difterie, tetanus en polio. De volgende dag werd het meisje dood aangetroffen in haar slaapkamer. Ze testte negatief voor griep en covid-19, zodat haar dood daar niet aan kan worden toegeschreven. In januari 2024 kreeg een gezond jongetje van 2 maanden vaccinaties tegen hib, rotavirus en pneumokokken. Een uur later werd hij met een hartstilstand naar het ziekenhuis gebracht, waar hij overleed. Volgens de Japanse autoriteiten kon in deze gevallen geen “causaal verband” met de vaccins worden vastgesteld. Jablonowski liet vorig jaar in een reactie op Yamamoto’s publicatie aan The Defender weten dat juist het tijdsverloop tussen een vaccinatie en een bijwerking “een van de fundamenten” is voor het bepalen van causaliteit. De drie Japanse overlijdens vonden plaats binnen 24 uur na de prikken.
Het is al decennialang wereldwijd van hetzelfde laken een pak: kinderen gaan soms dood na vaccinatie, maar als het aan de gezondheidsautoriteiten ligt nooit “door” vaccinatie. Hoe zeldzaam dit soort fatale incidenten ook zijn: ze vinden ook in ons land plaats. In Nederland zijn door de jaren heen tientallen van dit soort meldingen gedaan, maar in al deze gevallen konden de instanties geen “causaal verband” met de prikken aantonen. Dit verklaart waarom het RIVM al jarenlang met droge ogen beweert dat in Nederland “geen kinderen” overlijden aan vaccinatie. Het zadelt getroffen ouders op met een dubbel trauma: verlies van hun kind én ontkenning van het gebeurde.
In andere sectoren van de samenleving doet men minder krampachtig over vaccinatieschade, zoals in de huisdierenbranche. Een uitspraak op een Engelstalige website, afkomstig van een hondenfokker, spreekt boekdelen: “Inentingen tegen te veel ziekten tegelijk kunnen bij sommige rassen en honden het immuunsysteem volledig breken. De hond of pup kan hierdoor sterven. Ik heb dit zo vaak zien gebeuren, dat mijn fokcontract nu vermeldt dat wanneer meerdere vaccins op één dag worden gegeven de gezondheidsgarantie komt te vervallen.”
Als het kinderen betreft, wordt zo’n sterfgeval steevast afgedaan als een ongelukkige, maar toevallige samenloop van omstandigheden, waarbij een relatie met de vaccins “onwaarschijnlijk” is. Vooral de diagnose ‘wiegendood’, die volgens Rijksvaccinatieprogramma.nl niet gerelateerd is aan vaccinatie, blijkt vaak een bruikbare vluchtheuvel. In de beslotenheid van de spreekkamer durft een arts zo’n tragisch voorval tegenover ontdane ouders soms nog wel te linken aan de prikken, maar niet daarbuiten. Om begrijpelijke redenen: wie als medicus de veiligheid van het Rijksvaccinatieprogramma openlijk in twijfel trekt, vraagt om moeilijkheden en gedoe met het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. De vaccinatiegraad is immers heilig verklaard.
“Vaccins veroorzaken geen wiegendood”, staat op de RIVM-website Rijksvaccinatieprogramma.nl. Het RIVM en bijwerkingencentrum Lareb deden meldingen van wiegendood na vaccinatie altijd af als niet gerelateerd. De vraag is, of dit terecht was. In 2009 bijvoorbeeld, overleden tussen 16 en 24 oktober drie baby’s die kort daarvoor waren gevaccineerd tegen verschillende ziekten. Opvallend was dat ze alle drie — twee meisjes en een jongetje — een pneumokokkenvaccin (Prevenar) hadden gekregen uit eenzelfde batch (partij). Batch D66977 werd op 3 november 2009 landelijk on hold gezet, uniek in de geschiedenis van het Rijksvaccinatieprogramma. De conclusie van onderzoek door het RIVM, het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) en het Europees Medicijnagentschap (EMA) was dat een verband met vaccinatie “onwaarschijnlijk” was. De sterfgevallen werden gekwalificeerd als “wiegendood”.
Voormalig huisarts Jannes Koetsier verdiepte zich in deze casus en kwam tot een andere conclusie: “Adem- en hartstilstand door vaccinatie” verklaarde hij in 2009 tegenover het tijdschrift Gezond Nu.
De moeder had volgens Koetsier haar kind ’s middags in rugligging aangetroffen in zijn bed, met het dekentje bij zijn voeten, krap twee uur na vaccinatie tegen pneumokokken en DKTP-hib (Infanrix-IPV+Hib). Het kindje voelde nog warm aan, maar het ademde niet meer en had geen polsslag. In een academisch ziekenhuis werd het twee dagen laten hersendood verklaard, waarna overlijden volgde.
Klassieke risicofactoren voor wiegendood ontbraken. Destijds gold de herziene richtlijn Preventie wiegendood uit 2008, waarin risicofactoren worden aangehaald. Het jongetje was er één van een drieling die prematuur was geboren na 31 weken. Hiervoor bood de bijwerkingenparagraaf in de Prevenar-bijsluiter een aanknopingspunt: “Bij zeer prematuur geboren baby’s (na of voor 28 weken zwangerschap) kunnen langere adempauzes dan normaal voorkomen gedurende 2-3 dagen na vaccinatie”. De bijsluiter van Infanrix-IPV+Hib bevatte eenzelfde passage, al werd daar gesproken over “ademhalingsmoeilijkheden”. In de bijsluiter van het vergelijkbare Infanrix-IPV viel ook de medische term voor dit verschijnsel: “apneu” ofwel tijdelijke ademstilstand. De relatie tussen vaccinatie en apneu is in ziekenhuizen aanleiding om prematuren na een vaccinatie aan de ‘apneu-monitor’ te leggen, die ook bekendstaat als ‘bewakingsapparatuur wiegendood’.
Het jongetje was bij overlijden zes maanden oud. Kon hij op dat moment nog extra gevoelig zijn voor apneu na vaccinatie? Voormalig huisarts Koetsier acht dit “heel goed denkbaar” en ziet de apneu-hypothese als “het meest waarschijnlijke scenario”. Toen het RIVM in februari 2010 naar buiten kwam met zijn eindconclusie — “geen aantoonbare relatie met vaccinatie” — zei hij: “Er moet bij de start van de reanimatie sprake geweest zijn van hart-/ademstilstand. In mijn opvatting is wiegendood altijd het gevolg van een gecombineerde hart- en ademhalingsstilstand. Dit is weer een gevolg van een ontregeling in de hersenstam. En een van de manieren om in de hersenstam iets te ontregelen, is vaccinatie. Dat is héél zeldzaam, maar het gebeurt nu en dan.”
Ook nu wijzen bijsluiters van (combinatie)vaccins op de kans van apneu bij prematuur geboren baby’s. Ouders krijgen die bijsluiters niet standaard aangereikt. Alleen het deel van Rijksvaccinatieprogramma.nl dat bedoeld is voor “professionals” geeft informatie over het apneu-risico.
Wiegendood ofwel Sudden Infant Death Syndrome (SIDS) is het plotselinge, onverwachte overlijden van een ogenschijnlijk gezonde baby jonger dan 1 jaar tijdens de slaap, waarvoor geen duidelijke oorzaak gevonden kan worden, zelfs na uitgebreid onderzoek. In 1986 werden in Nederland nog 202 gevallen van wiegendood geregistreerd. Door intensieve voorlichting en preventie daalde dat aantal gestaag tot gemiddeld 25 sterfgevallen per jaar.
Vanaf 2006 bleef dat aantal relatief stabiel. “Maar sinds 2022 is een stijgende trend, zichtbaar terwijl de geboortes niet evenredig toenamen”, meldde afgelopen september het kenniscentrum voor letselpreventie VeiligheidNL. “In 2022, 2023 en 2024 overleden respectievelijk 36, 41 en 37 baby’s plotseling en zonder duidelijke oorzaak — ruim 50 procent meer dan het gemiddelde van de tien jaar daarvoor.”
VeiligheidNL noemt de stijging “schrikbarend”, maar heeft geen verklaring voorhanden. Wel ziet Mieke Cotterink, expert kinderveiligheid bij VeiligheidNL, op sociale media steeds meer “onduidelijke en mogelijk soms gevaarlijke adviezen” rond slapen. De vraag dringt zich op of in het tijdvak 2021-2022 iets ingrijpend is veranderd rond zwangerschap en geboorte dat de dramatische trendbreuk mogelijk zou kunnen verklaren. Dit is inderdaad het geval, maar wordt niet benoemd door VeiligheidNL en andere instanties: in de loop van 2021 kregen zwangere vrouwen het advies zich te laten vaccineren tegen covid-19 om hun ongeboren kind te “beschermen”, ondanks waarschuwingen van onder meer het Artsen Collectief.
Inmiddels weten we dat het mRNA uit de vaccins is gevonden in borstvoeding. De Amerikaanse auteur Naomi Wolf kraakt in haar boek The Pfizer Papers, dat in 2024 verscheen, hierover harde noten. “Pfizer wist dat vaccins in de moedermelk van gevaccineerde moeders terechtkwamen en baby’s vergiftigden”, schrijft Wolf. Pfizer produceerde volgens haar boek een overzicht van baby’s die ziek werden na borstvoeding van gevaccineerde moeders, met symptomen variërend van koorts tot oedeem (zwelling) en netelroos. Eén baby kreeg stuiptrekkingen en stierf aan orgaanfalen.
De Slowaakse Viera Scheibner (1935) startte haar wetenschappelijke carrière als student medicijnen, maar stapte al snel over naar natuurwetenschappen. Vanaf haar emigratie naar Australië in 1968 tot haar pensioen in 1987 was zij werkzaam als micropaleontoloog. Via haar inmiddels overleden Zweedse echtgenoot Leif Karlsson, die als elektrotechnisch ingenieur gespecialiseerd was in biomedische monitors, maakte zij in de jaren ’80 haar entree in het vaccinatiedossier.
Karlsson ontwierp de Cotwatch, waarmee via een sensor onder het wiegmatras de ademhaling van een baby kan worden geregistreerd. Op die manier ontdekten beiden een relatie tussen vaccinatie en wiegendood. “Na vaccinatie ontstaat een karakteristiek ademhalingspatroon”, aldus Scheibner, “met kritieke dagen waarop de baby minder effectief inademt. Deze dagen kunnen optreden over een periode van maanden. En wiegendood bleek zich juist voor te doen tijdens die kritieke dagen.”
De kinderartsen met wie ze aanvankelijk samenwerkten, waren allerminst gelukkig met de opmerkelijke conclusie en keerden hen de rug toe. Het legde de kiem voor een strijd die Scheibner jarenlang voortzette: “Mijn drijfveer is dat artsen de waarheid onder ogen gaan zien. Aan vaccinatie zijn nadelen verbonden. Ik wil dat dit besef doordringt.” Het mondde onder meer uit in twee boeken, waarvan er een is vertaald in het Nederlands: Vaccinatie — Het einde van een mythe. Dit boek van Scheibner verscheen in 2000 bij uitgeverij Lemniscaat, maar is niet meer verkrijgbaar.
